Per 1 oktober 1999 heeft de gemeente Rotterdam de schuldhulpverlening volgens een nieuwe integrale aanpak opgezet. Het voornemen van B&W om per jaar 5000 Rotterdamse minimahuishoudens met problematische schulden te helpen is in 2000 echter bij lange na niet gehaald. Dit eerste volle jaar van de nieuwe schuldhulpverlening is zelfs historisch een dieptepunt gebleken. Slechts voor 100 Rotterdammers is via de nieuwe aanpak een schuldregeling tot stand gebracht. Dit concludeert de Rekenkamer Rotterdam in haar vandaag verschenen rapport “Belofte maakt schuld, de gemeentelijke schuldhulpverlening” .
B&W schat de totale doelgroep in Rotterdam op 25.000 minimahuishoudens. In de nieuwe aanpak, waarin de Gemeentelijke Kredietbank en het Algemeen Maatschappelijk Werk met en onder regie van SoZaWe samenwerken, zouden jaarlijks 5000 cliënten geholpen worden met een schuldregeling, een budgetcursus en/of budgetbegeleiding. Na vijf jaar zou daarmee de gehele doelgroep een zogenoemde ‘schone lei’ geboden moeten zijn.
De Rekenkamer concludeert echter dat de schuldhulpverlening niet efficiënt en niet effectief verloopt. De schatting van de omvang en de samenstelling van de doelgroep is gebrekkig en onvolledig. De Rekenkamer schat de feitelijke doelgroep op globaal 34.000 huishoudens, zo’n 70.000 Rotterdammers. Bij de start ontbrak een implementatieplan. Tijdens de hulpverlening kan een cliënt met vier wachtlijsten te maken krijgen. Zo blijken 2500 cliënten pas na een gemiddelde wachttijd van vijf maanden een intakegesprek te hebben gehad. Zeer veel wachtenden zijn dan echter al afgehaakt. Het aantal cliënten dat per meldpunt geholpen kan worden blijkt veel te hoog en onjuist geraamd te zijn. Mede door onvolkomenheden in het automatiseringssysteem ontbreekt de juiste management-informatie. De centrale aansturing van de schuldhulpverlening heeft te wensen over-gelaten. Het heeft in 2000 negen maanden geduurd eer de aangekondigde bijstellingen in de schuldhulpverlening werden doorgevoerd, terwijl in de tussentijd de problemen verergerden. De Rekenkamer meent dat het inmiddels opgestelde implementatieplan voor bijstelling van het beleid volledig en voortvarend moet worden uitgevoerd. De Rekenkamer heeft overigens vastgesteld dat de betrokken raadscommissie in 1998 bij bespreking van de nieuwe aanpak gewezen heeft op mogelijke problemen en dat deze zich voor een deel daadwerkelijk in volle hevigheid hebben voorgedaan.
B&W schrijft in zijn reactie dat de schuldhulpverlening nog niet uit de kinderziektes is, maar meent dat de Rekenkamer haar conclusies te zwaar heeft aangezet. Het jaar 2000 moet gezien worden als een opbouwjaar. B&W heeft een aantal aanbevelingen van de Rekenkamer geheel of gedeeltelijk overgenomen. De aanbeveling om capaciteit en ambitieniveau op elkaar af te stemmen heeft geleid tot een neerwaartse bijstelling naar het helpen van 3000 cliënten per jaar. Gezien de mate waarin het prestatieniveau achterblijft bij de gestelde doelen, de prestaties in andere gemeenten en de prestaties die in het verleden zijn behaald acht de Rekenkamer haar conclusies niet te zwaar aangezet.


