De Rekenkamer concludeert dat de bestuurlijke relatie met andere vennootschappen, stichtingen en openbare lichamen tekortkomingen vertoont. In het geval van stichtingen en vennootschappen is de sturing vanwege afwezigheid van meetbare toetsingscriteria niet altijd voldoende. Uitzondering vormen de openbare lichamen, waar de toetsingscriteria uit wet- en regelgeving voortvloeien. In het geval van vennootschappen en in mindere mate stichtingen, bestaat er onvoldoende scheiding tussen de functie van gemeentelijk functionaris en commissaris of stichtingsbestuurder. Publieke en bedrijfsbelangen zijn te vaak
in één persoon verenigd. De verantwoording door de organisaties waarin de gemeente participeert is in ongeveer de helft van de gevallen van matige of onvoldoende kwaliteit. Informatie over doelbereiking ontbreekt veelvuldig. Het is een gevolg van onvoldoende aandacht van de gemeente voor het maken van afspraken over de inhoud van de verantwoording. Het toezicht op de organisaties waarin de gemeente Rotterdam bestuurlijk participeert laat nog meer te wensen over. Van een systematische behandeling van jaarstukken van de organisaties waarin de gemeente participeert, is geen sprake. Dit geldt in het bijzonder voor openbare lichamen. In dat geval is er sprake van organisatievermenging. Het openbaar lichaam wordt min of meer als gemeentelijke tak van dienst beschouwd. Het niet voldoende afstand bewaren tot de andere organisatie leidt tot onvoldoende inzicht in en toezicht op de voor de gemeente belangrijke prestaties van een organisatie en op de (risico’s van) de financiële huishouding. Een beoordeling van de financiële staat van het openbaar lichaam vindt als gevolg daarvan niet plaats en behandeling van de jaarstukken in B&W en de Raad wordt daardoor bemoeilijkt.
De Rekenkamer beveelt B&W onder meer aan om in de ophanden zijnde Kadernota Bestuurlijke Participaties voor elke participatie afzonderlijk het doel op te nemen, bijbehorende meetbare toetsingscriteria, de financiële risico’s en de afspraken die met de organisatie over haar verantwoording aan de gemeente zijn gemaakt. Ook dient een procedure opgenomen te worden die voorschrijft wie welk jaarstuk, wanneer en hoe behandeld. Analoog aan een Kadernota dient B&W vierjaarlijks een Kaderverslag aan de Raad te zenden.
Voorts beveelt de Rekenkamer onder andere aan de participaties in stichtingen te herijken, af te zien van vervulling van commissariaten door hoofden van dienst, wethouders of raadsleden en jaarrekeningen van openbare lichamen altijd in een raadscommissie aan de orde te stellen.



