Organisatie en werkwijze Accountantsdienst Rotterdam (ADR)

In de verordening gemeentelijke rekenkamer (artikel 11 lid 3) is bepaald dat de Rekenkamer Rotterdam onder meer als taak heeft het (doen) reviewen van de ADR. Uit de toelichting bij de conceptverordening blijkt dat het niet de bedoeling is dat de Rekenkamer de gemeenterekening goedkeurt, maar dat de review vooral gericht moet zijn op de systematiek en de normen die de ADR bij zijn werkzaamheden hanteert. De Rekenkamer heeft hier met dit rapport een eerste invulling aan gegeven.

Het doel van het onderzoek was om inzicht te verschaffen in de organisatie en werkwijze van de ADR en waar mogelijk en zinvol het doen van aanbevelingen voor het functioneren van deze dienst. De probleemstelling was als volgt geformuleerd:
Hoe is de organisatie en werkwijze van de ADR opgezet en voldoet deze opzet aan de daaraan te stellen eisen?

conclusies en aanbevelingen

De Rekenkamer constateerde in het rapport dat de opzet voldeed aan de gangbare eisen voor een gemeentelijke accountantsdienst. De Rekenkamer concludeerde echter ook dat de ADR te terughoudend was bij het nastreven van verdere verbeteringen. Daartoe werden een aantal aanbevelingen gedaan. In zijn reactie op het rapport heeft de directeur ADR toegezegd om nog in 1999 een bedrijfsplan in te dienen en om in het vervolg weer jaarlijks interne kwaliteitstoetsen te laten verrichten. De overige aanbevelingen werden volgens de directeur ADR reeds uitgevoerd of werden door hem afgewezen. Naast aanbevelingen voor de ADR had de Rekenkamer in dit rapport ook twee aanbevelingen bij het gemeentebestuur neergelegd. Zo had de Rekenkamer aanbevolen om regelmatig het (strategische) controlebeleid en de benutting van de controleresultaten aan de orde te stellen. De Rekenkamer constateerde namelijk dat hieraan binnen de gemeente structureel te weinig aandacht werd geschonken. Hierbij zouden onder meer de commissie Financiën en de Commissie tot onderzoek van de Rekening betrokken moeten worden. De Rekenkamer dacht hierbij aan een bestuurlijk auditcommittee. De directeur ADR zag niet in wat er aan de huidige procedures veranderd moest worden, terwijl het College van B&W van mening was dat er een strategische visie door de gemeenteraad bepaald moest worden. De Rekenkamer gaf verder in overweging om de ADR in zijn verklaring bij de (jaar)rekening expliciet een oordeel te laten geven over de rechtmatigheid. Zowel de directeur ADR als het College van B&W verwierpen deze laatste aanbeveling.