Bakens in de mist

Het Collegeprogramma ‘Met Raad en Daad 1998-2002’ was nader uitgewerkt in uitvoeringsprogramma’s, waarvan de realisatie onder meer werd gevolgd aan de hand van zogenoemde ‘bakens’. Met het aangeven van 41 bakens als concretisering van gestelde doelen en als streefcijfers maakte B&W haar ambities helder, herkenbaar en bespreekbaar, maar wekte hiermee tevens hoge verwachtingen. In het Onderzoeksplan 2000 sprak de Rekenkamer Rotterdam waardering uit voor deze wijze van bestuur(sprogrammering). Tevens werd gewezen op het grote bestuurlijke en financiële belang van het Collegeprogramma ter motivering van dit onderwerp.

De Rekenkamer Rotterdam was van mening dat een onderzoek gericht op de kwaliteit van de bakens van belang en nut kon zijn. Door het onderzoek te concentreren op de bakens, zou vastgesteld kunnen worden of deze een goede meetlat vormen voor de realisatie van de uitvoeringsprogramma’s. De Rekenkamer Rotterdam verwachtte in haar onderzoek tot concrete aanbevelingen te kunnen komen ten aanzien van de (kwaliteit van de) formulering van de bakens.

De probleemstelling luidde als volgt:

In welke mate zijn de bakens in de uitvoeringsprogramma’s een goede meetlat voor de realisatie van de daaraan verbonden doelstellingen en dragen zij bij aan het vergroten van de helderheid van het beleid en het versterken van de publieke verantwoording

conclusies en aanbevelingen

De Rekenkamer beschouwt de bakens als een nuttig en noodzakelijk instrument om de beleidseffectiviteit bij de overheid en de publieke verantwoording daarover te verbeteren. Vergeleken met de drie andere grote steden heeft de gemeente Rotterdam het idee van bakens op unieke wijze uitgewerkt, waarmee Rotterdam een stap verder gaat in de richting van het zich opstellen als een afrekenbare (lokale) overheid.

De Rekenkamer Rotterdam heeft echter vastgesteld dat er sprake is van forse invoerings- en ontwikkelingsproblemen. Veel bakens vertoonden gebreken en er bestond nauwelijks zicht op de mate waarin bakens bereikt werden. Voor de meeste bakens was verzuimd om de aanvangssituatie te meten, om jaarlijkse streefcijfers te bepalen of om de voortgang te rapporteren. Volgens de Rekenkamer Rotterdam was in Rotterdam een neerwaartse spiraal ontstaan. Scepsis en negatieve opvattingen bij ambtenaren en enkele wethouders gingen samen met een groot aantal gebreken ten aanzien van de bakens.

Met dit rapport heeft de Rekenkamer Rotterdam de aandacht voor het werken met bakens doen herleven. Tevens heeft de Rekenkamer Rotterdam een groot aantal aanbevelingen gedaan om de bakens een tweede kans te geven. Volgens de Rekenkamer Rotterdam was B&W in haar reactie niet duidelijk over het al dan niet overnemen van de aanbevelingen.