De bodem schatten

De aanleiding voor het onderzoek was dat uit de jaarstukken van het OBR bleek dat er bij de grondexploitatie aanzienlijke verschillen optraden tussen de ramingen en realisatie van investeringen en desinvesteringen. Daarnaast bleek grondexploitatie zowel financieel als maatschappelijk van groot belang voor de gemeente Rotterdam. In het onderzoeksplan 2000 gaf de Rekenkamer aan zich in eerste instantie te willen richten op de wijze waarop van de grondexploitatie verslag werd gedaan. Het onderzoek zou verder in de onderzoeksopzet uitgewerkt worden.

Het onderzoek kreeg uiteindelijk twee doelstellingen:

  1. het transparant maken van het grondbeleid en de grondexploitatie in de gemeente Rotterdam;
  2. het beoordelen van de sturing, het toezicht, de informatievoorziening, de financiële beheersing en de financiële verantwoording inzake de grondexploitatie in de gemeente Rotterdam.

conclusies en aanbevelingen

De Rekenkamer heeft vastgesteld dat de onderzochte projecten door het OBR werden gerealiseerd met een hogere plankwaliteit dan bij aanvang was beoogd, waarbij de doorlooptijd en het uitgiftetempo over het algemeen goed werden beheerst. De Rekenkamer constateerde echter ook dat zij slechts met de nodige moeite zicht kreeg op het verloop van grondexploitatieprojecten. Deze ‘blackbox’ ontstond door de wijze van presentatie en doordat het OBR (zeer) voorzichtig in plaats van reëel raamde. De winstverwachting bleef daardoor volgens de Rekenkamer 110 miljoen gulden achter voor de acht onderzochte projecten. Doordat OBR voorzichtig raamde, was het bovendien voor de Raad ondoenlijk om te zien of OBR wel op efficiënte wijze werkte.

De financiële verslaggeving voldeed aan de in de vigerende regelgeving vastgelegde eisen, maar de kwaliteit en inzichtelijkheid konden sterk worden verhoogd. Ook het relatief oude strategische grondbeleid (de nota grondbeleid stamde uit 1980) bood in opzet nauwelijks een helder houvast aan de raad voor het nemen van operationele beslissingen.

Het College liet in haar reactie op het conceptrapport weten dat het blackbox-karakter niet te vermijden was en achtte meer transparantie uit sturingsoogpunt niet noodzakelijk. Bij het jaarverslag 2000, dat uitgebracht werd op een moment dat OBR en B&W al in het bezit waren van het conceptrapport van de Rekenkamer, was bovendien de winstpotentie van de grondexploitaties met 109 mln. gestegen, waarmee volgens het College de door de Rekenkamer als ‘verborgen’ betitelde winsten zichtbaar waren gemaakt. De Rekenkamer had de stellige indruk dat deze plotselinge zichtbaarheid te danken was aan het Rekenkameronderzoek. Ook op vele ander punten bleven het College en de Rekenkamer van mening verschillen.