Vanaf augustus 1998 voert de gemeente Rotterdam op basis van het Rotterdams Onderwijs Achterstandenplan (ROAP) de regie over de uitvoering van het onderwijs-achterstandenbeleid door de schoolbesturen. Van te voren heeft de gemeente niet systematisch gekeken welke resultaten eerder waren bereikt en hoe zij daar haar voor-deel mee kon doen. In het door de gemeenteraad vastgestelde plan ontbreken verder vier wettelijk verplichte onderdelen. De sturing van de gemeente was de afgelopen jaren gebrekkig. De gemeente heeft weinig zicht op de prestaties die met het beleid zijn bereikt. Dit komt mede doordat veel van de inhoudelijke verantwoordingen niet zijn ingediend. Dit concludeert de Rekenkamer Rotterdam in haar vandaag verschenen rapport Plannen op achterstand.
Het rijk heeft een Landelijk Beleidskader Onderwijsachterstanden opgesteld waarbinnen het gemeentelijk beleid moet worden uitgevoerd. Dit beleid richt zich vooral op het basisonderwijs: veel van de ruim 54.000 leerlingen op de 185 basisscholen die Rotterdam telt, kampen met leerachterstanden. De beschikbare middelen hiervoor (jaarlijks circa ƒ 85 mln. / € 38,57 mln.) dienen overeenkomstig het ROAP verdeeld en besteed te worden. De schoolbesturen en ondersteuningsinstellingen dienen daarvoor plannen in bij de gemeente. Deze plannen moeten sporen met het ROAP. De gemeente dient dit te toetsen alvorens gelden te verstrekken. In de praktijk blijkt de toetsing niet te hebben plaats-gevonden. Evenmin zijn duidelijke prioriteiten gesteld. Ook de verplichte inhoudelijke en financiële verantwoording achteraf blijkt in de meeste gevallen te ontbreken. De Rekenkamer vindt dat de gemeente hierop onvoldoende heeft gestuurd. Doordat de verantwoording grotendeels ontbreekt, bestaat onzekerheid over de doel- en recht-matigheid van de besteding van deze middelen. Het rijk heeft aangekondigd vanaf 2002 zowel vooraf als achteraf strenger de doel- en rechtmatigheid van de uitgaven te controleren.
Met het oog op het ROAP 2002-2006 beveelt de Rekenkamer onder meer aan een lijst met effectieve programma’s voor achterstandsbestrijding op te stellen. De Raad wordt aanbevolen te bepalen of ROAP-geld door schoolbesturen alleen aan deze programma’s besteed mag worden. Ook beveelt de Rekenkamer aan om als verantwoording over het ROAP een Rotterdams Onderwijsachterstandenverslag (ROAV) op te stellen.
Het College van B&W schrijft in haar reactie dat ze de conclusies van de Rekenkamer erkent, maar dat deze veelal genuanceerd moeten worden. B&W vindt dat de Rekenkamer weinig oog heeft voor de context. B&W meent dat het landelijk beleid was bedoeld als globaal kader en als groeimodel, en dat op lokaal niveau ook naast het ROAP veel plannen zijn ontwikkeld en initiatieven genomen om achterstanden te bestrijden. De aanbevelingen worden grotendeels onderschreven. De reactie van het College is voor de Rekenkamer geen aanleiding geweest haar conclusies aan te passen. De Rekenkamer benadrukt het belang van samenhangend beleid. Voorkomen moet worden dat plannen op elkaar gestapeld worden.


